STEMONTHOUDING GAAT EINDELIJK VERANDEREN

Door Douwe Jan Elzinga Geen reacties

Jarenlang was er voor raadsleden en statenleden bij stemmingen grote onduidelijkheid over de fenomenen belangenverstrengeling en de schijn daarvan. Bij de toepassing van het criterium ‘vooringenomenheid’ uit de Awb kwam men soms heel anders uit dan bij de toepassing van de regeling voor stemonthouding uit de Gemeentewet. Ook burgemeesters als raadsvoorzitter zaten regelmatig met de handen in het haar. Maar dat gaat nu anders worden. De Gemeentewet en de Provinciewet krijgen uitdrukkelijk voorrang op de Awb. De regeling uit de Awb is straks niet meer van toepassing op de beraadslaging en de stemming in gemeente en provincie en dat is goed nieuws.Lees meer

Botsing van organieke wetten: vooringenomenheid van de Awb niet langer van toepassing op beraadslaging en stemming

Als leden van de gemeenteraad of provinciale staten een persoonlijk en onmiddellijk belang hebben bij een bepaalde aangelegenheid moeten ze zich onthouden van deelname aan de beraadslaging en de stemming. Zo wordt de nieuwe formulering van art. 28 van de Gemeentewet en de Provinciewet. In de voorstellen, die voor internetconsultatie zijn aangeboden, kiest de minister van BZK voor een verduidelijking en verbetering van art. 28 en dat voorstel kan worden toegejuicht. Het bestaande artikel 28 functioneerde lange tijd ook alleszins redelijk. Maar toen art. 2.4 Awb in beeld kwam, ontstond – mede door diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – een zeer onoverzichtelijk en verwarrend beeld. De Awb richt zich vooral op de bestuursorganen die vooringenomenheid moeten voorkomen en langs die route werd geredeneerd dat het bestuursorgaan – gemeenteraad of staten – er  voor moet zorgen dat ook een dergelijke vooringenomenheid van raads- en statenleden niet plaats vindt. Toen vervolgens via jurisprudentie ook nog de ‘schijn van belangenverstrengeling’ werd binnengevlogen, was het hek van de dam. Met regelmaat werden raadsleden door raad of burgemeester gemaand zich verre te houden van de stemming. Dat ging soms zelfs zo ver dat bij de stemming over bijvoorbeeld een bestemmingsplan buitengebied de in de raad aanwezige boeren werden verzocht om niet mee te stemmen. De meest kleine schijn van belangenverstrengeling moest immers worden vermeden. En het is daarbij voorgekomen dat bij een dergelijke stemming om die reden de meerderheid in een minderheid veranderde. Bij dat waken tegen vooringenomenheid door de raad bleek vervolgens in de praktijk dat het bestuursorgaan nauwelijks over instrumenten beschikt om individuele raadsleden tot een bepaald handelen te dwingen. En tenslotte werd de constatering van de  minste schijn van belangenverstrengeling in nogal wat gevallen gebruikt als politiek strijdmiddel. Want als je roept dat de schijn er is, dan is nauwelijks meer aannemelijk te maken dat het niet zo is. Vanuit de gemeentelijke praktijk en door kenners van het gemeenterecht is vele jaren geroepen dat het zo echt niet meer langer kan en nu is het dan (bijna) zover. Dat betekent echter nog niet dat alle problemen nu uit de wereld zijn. De botsing tussen twee organieke wetten is weliswaar opgeheven. Art. 2:4 Awb is straks niet meer van toepassing op de beraadslaging en de stemming, maar er moet dan wel een nieuwe modus worden gevonden voor de toepassing van het nieuwe art. 28. Daarbij kan als uitgangspunt dienen dat een publiek recht een publieke plicht oplevert. Raadsleden worden geacht deel te nemen aan de beraadslaging en de stemming. In hoge uitzonderingsgevallen zien zij daarvan van af. Wat de precieze inhoud is van een ‘persoonlijk en onmiddellijk belang’ is, zal zich in de praktijk moeten uitkristalliseren. Daarbij komt een eerste, maat ook een finale verantwoordelijkheid toe aan het betreffende raads- of statenlid. Uiterst voorzichtig moet worden omgegaan met de categorie  ‘schijn van belangenverstrengeling’,  vooral omdat dit een zeer subjectief begrip is dat zich sterk leent voor politisering. Twijfelt een raadslid dan zijn burgemeester en griffier de eerst aangewezenen om te adviseren. Omdat voortaan ook de deelname aan de beraadslaging een ankerpunt is, doen raads- en statenleden er verstandig aan vroegtijdig hun twijfels kenbaar te maken, zowel ten aanzien van henzelf of anderen. In andere gevallen – bij niet-kenbaarheid – zal stapsgewijs een nieuw en goed functionerend toepassingskader moeten ontstaan.

Deel dit artikel!

Geef een reactie